zaterdag, april 15, 2006

Communio (Uit: Hors d’œuvres)

Communio


De dichter op het feest rust
zwaar tussen gordijnen,
watervallen, eetgedruis, vlokkende
schuimrefreinen.

Een chocoladen schuit met zeilen
van krokante woede: bloedmooi
valt een tante uit.

Kalfsvlees zwetend in gespleten sneden.
Gauw nog even sla gevouwen,
bladmuziek wordt opgezet.

Bulderend land dat rolt en stampt,
een lijvig heer van zwagers, uit
hun lijst gewrikt.

Het smeltend lam van ijs
met doorgesneden keel: een gulp
likeur. Dan vlucht

de vader met
zijn dronken kind naar bed.
Snaterend vervolgd
door vondsten als asper-
gebed.

Practische hoenderteelt (Uit: Hors d’œuvres)

Practische hoenderteelt
(voor J. Pedersen Bjergaard)


Wie evenals de dichter Kaalvud op
het hakblok plaats genomen heeft
– een warme voorjaarsdag –

(tel hier tot vier)

en op de prille levensweg
sinds het verlaten van het ei
enkel het zachte klokken heeft vernomen

(hier zij tot vijf geteld)

is ver gekomen.

Bij (Uit: Hors d’œuvres)

Bij
(voor H. C.)

Bij al Uw sakkerse gedichten
– myope vergezichten –,
uw palimpsesten, leren
vesten met in toorn doorboorde
woorden

Bij al uw gepastoorde meiden
– neukend in de koude keuken –,
’t kontekraafs gevleesde
binnenrijm, bezweet

Kwam ik, o Hugo-lief,
genadig en terloops aan
mijn poëtisch naaigerief.

Schrijf toch (Uit: Hors d’œuvres)

Schrijf toch


Schrijf toch es wat
anders, zei ze, dan dat eeuwige...

Hij schreef: Altijd
blijven wij langs elkaar,
jij eenzame zaagsnee en ik,

dan.

Nimmer
zullen we convergeren,
tweezame zaagsnee, gelukkig

maar.

Haiku no Haiku - 13/14/15/16/17

Valse kerselaar,
jouw geniepige oksels.
Het scheelde een haar.

Twee dikke meisjes
pauzerend op mijn muurtje.
Slanke schaduwen.

Verkleefde vleugels,
fruitvlieg als kloppend lijfje.
Het zoete leven.

Tegen de vleug in
strijkt de zomerwind het gras.
Een kniehoog ruisen.

De stille dorpstraat.
Felgeel met lila schaduw:
een toerist schuift langs.

Haiku no Haiku - 6/7/8/9/10/11/12

Vingers als garnalen
kroelen in mijn vaders haar.
Tot de ochtend komt.

De nacht stapt opzij.
Een lichtgevende letter
heet mij welkom thuis.

In alle vroegte
waait mijn dapper hart voorbij.
Verder ben ik vrij.

Doodstil klapperend
bidt de valk voor het eten.
Stil ook de veldmuis.

In het restaurant,
eeuwenoude recepten,
verzen aan dagprijs.

Pluimen van het gras
waarmee ik ben geboren,
en woorden, woorden.

Zie de lege schaal!
De vogel is gevlogen.
O vader! Moeder!

Haiku no Haiku - 1/2/3/4/5

Kippen pikken rond
de woordspelige treurwilg.
Op is het verdriet.

Een rietpen maakt een
omtrekkende beweging.
De oever raakt los.

De oude inktpot,
op zijn zijde gevallen,
vergoot zijn schaduw.

Druppels glijden dik
langs een beschonken dichter.
O regen, regen.

Zand voor mijn voeten,
bloesemwit voor mijn ogen.
In mijn handen: as.