maandag, mei 28, 2007

Eindelijk los

Eindelijk los,
met armslagen weids de grond verlaten
de bedding van klavieren, warme voren,
harde vouwen in het laken
kruiend schuivend.

Een zwaan ben ik, ook ik, en hoor
grijsgroene geuren klimmen, zeilend
op de graszee, hoog over het zeegras. Pijn
is een gedachte achterom, de schaduw
van een kleine zuurte tussen schouders
bedauwd, bepareld.

Daar raken ook drie vrouwen los en stijgen
pijlsnel op en zonder woorden langs en
waarom zien ze mij dan niet?
Ik wuif een armbreed, alles krult en het verwaait
in een triool van tintelende trillers
aan een einder vol verliefde kolibris.

Nooit meer moe en enkel nog
de pijn van zondagmiddag en om van te zingen
lamentationes Jeremiae. God
is een gedachte verderop van loden letters en
losbladig lispelende veertjes
wendend, zwenkend.